Het is alweer bijna oktober, de herfst roept. Beelden van haardvuur en smeulende blokken hout komen in me op; een gierende, miezerige wind rond het huis, binnen een mooi gedekte tafel met kaarsen tegen een sobere muur van stenen uit lang vervlogen tijden. Of een langgerekte tafel met verschillende mensen die zich tegoed doen aan mosselen en frieten en zelfgemaakte mayonaise met op de achtergrond een lied van Brel waarin hij zingt over ‘les moules et les frites’….En een schuimende pint erbij of een donkere van Westvleteren terwijl de warmte van de Leuvense stoof je kaken doet blozen.
De zinnelijke geneugte van eten en drinken is mij nooit vreemd geweest of anders gezegd en véél dichter bij de waarheid, eten en drinken is een neurotische neiging van mij. Neurotisch in de zin dat het een krampachtige en diep ingesleten gewoonte is geworden waarbij ik mezelf wijsmaak dat het mij beter zal doen voelen, dat het mij gelukkiger zal maken en waaraan ik mezelf dan meer dan eens vrijwillig en wanhopig als een voddenpop aan vasthang. Door de jaren echter is de neiging anders geworden, minder sterk en dit komt hoofdzakelijk door ethiek. Door het ontwikkelen van meer ethische gevoeligheid, door het er laten zijn van meer ethische gevoeligheid. Zo’n twaalf jaar geleden werd het me duidelijker dat onze (door onszelf) geroemde bourgondische gastronomie op wreedheid gebaseerd is en ik werd vegetariër. Een eerste deuk werd toegebracht aan mijn eetgedrag, ik at geen levende wezens meer ter voldoening van mijn zelfgerichte lusten. Die neiging echter om angst en ontevredenheid te lijf te gaan met een goede, stevige maaltijd of met tussendoortjes bleef onverstoord in mij aanwezig. Ik slaagde er wel in om met mate te ontbijten en een licht middagmaal te nemen maar dan ’s avonds moesten alle remmen los want het beest in mij had honger; en ik hàd ook wel honger maar wat er ook los kwam was die koortsachtige, verblindende drang om alles wat in het leven niet verliep zoals ik het wou te sussen met ongetemde maagvullerij. Om het schrikwekkende monster van laaiende begeerte dat in mij leeft te voeden, te stillen. Tegelijk was de maaltijd een soort vrijplaats, een onafhankelijke burcht die los staat van leven en dood, waar niets vergankelijk is en niets sterft, een schuilplaats, een vakantie-oord van alle frustraties en hindernissen, een oase van rust en verdoving van pijn en verdriet. Maar de laatste tijd begon ik te merken dat mijn overvolle maag schade berokkende aan mijn medemensen en aan mezelf. Eerst propte ik als het ware mezelf vol uit frustratie en ontevredenheid en daarna was ik opnieuw gefrustreerd, ontevreden en overvol en had ik geen ruimte genoeg om liefdevol en met vriendelijk gewaarzijn om te gaan met de mensen in mijn omgeving. Ofwel werd ik knorrig ofwel sloot ik me op in mezelf. Ik had letterlijk geen ruimte meer, mijn maag barstte als het ware; hoe zou ik dan ruimte hebben voor een ander als ik als een baksteen onder water getrokken werd door het gevoel in mijn maag en door de kracht van mijn eigen begeerte. Het was iets dat alle sensitiviteit doodde, dat alle wijdse aandacht tot mezelf versmalde, dat geheel en al bestond uit het begraven van allerlei oncomfortabele aspecten van mijn leven. En de laatste tijd kwam daar ook het besef bij dat ik de maaltijd op die manier ook teveel vastzette, begrensde, hiér begint de maaltijd en is er vanaf nu enkel plaats voor het grijpen en begraven, hiér en nu in de maaltijd gaat er niets voorbij, hiér stopt alles en blijft alles stilstaan. Ik sloot alles daarrond, een eventueel liefdevol uitgaan naar een tafelgenoot die iets nodig had, werd weggeduwd door een blind grijpen naar eten in mijn eigen bord, mijn eigen mond, mijn eigen maag. Ik zat daar als een slaaf. En daar heb ik dus jaren aan vastgehangen; nu zit die neiging er nog maar door het oefenen van de ethische trainingsregels heb ik mezelf er meer en meer van kunnen losmaken. Het ontbijt is matig, het middagmaal evenzeer en als er warm gegeten wordt ’s avonds schep ik mezelf slechts één keer op. En het gebeurt meer dan eens dat ik stop met eten met nog een licht hongergevoel maar het bevredigt me dan weer dat ik nu meer aandacht heb voor het uitreiken naar een ander als ik aan tafel zit of er net na; dat mijn blik niet vernauwd wordt door mijn drang; het maakt me duidelijk dat ik op deze manier niet langer mijn neiging om mijn eigen begeerte te blussen slaafs volg, dat ik dat patroon niet langer in stand houdt waardoor er niet alleen in mijn maag meer ruimte komt maar ook in mijn houding, meer ruimte voor kijken wat de ander nodig heeft, meer ruimte om te zien hoe mijn menselijke geest werkt en wanneer het gevaarlijk wordt om weer weg te glijden in dat glibberige spoor van mijn neurotische neigingen. Het maakt me ook duidelijker dat ik de meeste gebeurtenissen in mijn leven wil vastzetten, wil afgrenzen, dat ik wil dat ze dan binnen die grenzen zich gedragen zoals ik zeg dat ze zich moeten gedragen, en wat ik dan doe is feitelijk mijn eigen ellende creëren. Ik vertrek met het idee om mezelf beter te voelen en door de dingen te doen zoals ik ze doe, eindig ik met mijn zelfgemaakte miserie. Dit is echter een veel uitgeprobeerd recept uit de keuken van onze menselijke conditie. Maar er is ook een recept dat werkt en ons wegleidt van ellende, een recept uit de keuken van de Boeddha waar we uit eigen beweging kunnen van proeven, een recept die maakt dat we meer verbinding kunnen maken met wat ook in ons leeft naast neurotische neigingen, onze liefde en ons mededogen, ons vermogen om onszelf en anderen niet te beoordelen en te veroordelen maar te accepteren, ons vermogen om opgenomen te worden in een werkelijkheid waarin jij en ik in elkaar overlopen en niet meer te onderscheiden zijn. Ons vermogen om dat recept uit te proberen, blijft ongeschonden, het hangt er alleen maar van af welke keuken we kiezen…
Geplaatst door arthakusalin